De economie van de valse hoop

 

 


Robert Jan Spierenburg

We beleven een tamme, om niet te zeggen uiterst merkwaardige, hoogconjunctuur. De inflatie daalt, er is niet of nauwelijks sprake van een overspannen arbeidsmarkt en, wellicht het meest opmerkelijke, de rente gaat onderuit. Een unieke situatie, waarbij de ironie wil dat de grootste theoreticus van de conjunctuurcyclus, John Maynard Keynes, juist in een te hoge rentestand de oorzaak zag van economische stagnatie. Naar zijn mening lieten de beleggers het op cruciale momenten afweten. Daardoor kon de rente niet ver genoeg dalen en droomde hij zelfs van een euthanasie van deze bevolkingsgroep.
Er is veel veranderd sinds de General Theory het licht zag, maar de passages over de verwachtingen van ondernemers, beleggers en consumenten bieden tal van aanknopingspunten om de huidige situatie te beschrijven.

Fin de siècle
Wat is er aan de hand? De hoop, zo kenmerkend voor perioden van hoogconjunctuur, schijnt te worden overvleugeld door een alles verstikkende angst. Alsof zowel de ondernemers als de consumenten het slachtoffer zijn van een soort fin de siècle-syndroom. Immers, aan het eind van een eeuw pleegt de mensheid haar zonden in dit geval een verdubbelt vermogen, te overdenken en als het even kan nog voor de eeuwwisseling uit te boeten. Alleen op die manier kan aan het nieuwe tijdperk met een schone lei worden begonnen. De boetedoening uit zich voor alles in een zuinig gedrag. De Nederlandse bedrijven hadden eind 1994 136  miljard gulden op deposito staan bij de banken. Tien jaar eerder was dat nog maar 54 miljard. Een niet onaanzienlijke winstgroei gepaard gaande aan een geringe vraag naar krediet maakte deze ontwikkeling mogelijk. Daarmee lijkt de paradox van de hoogconjunctuur dat ondernemers juist als het goed gaat een grote schuldenlast durven te torsen, omdat zij er vertrouwen in hebben deze in de toekomst af te kunnen lossen, niet op te gaan. Tel daar de bescheidenheid van de consument, de geringe inflatie en de discontopolitiek van DNB bij op en de rentedaling is grotendeels verklaard. Grotendeels, want de rente wordt ook gedrukt doordat beleggers het nu juist nièt laten afweten. De rentedaling en het winstherstel van veel bedrijven maken het zeer aantrekkelijk een gokje te wagen. Trouwens, is het nog wel een gok? Wanneer we zien wat de beleggingsfondsen ons voorrekenen en dat zowel 1994 als 1995 een topjaar was voor speculanten, lijkt er eerder sprake van een permanent feest. Natuurlijk is dit niet helemaal waar, er zijn nare uitzonderingen, zoals Fokker, en de koers/winst-verhouding kan niet altijd blijven stijgen. Maar voorlopig lijkt het einde niet in zicht. En als het al komt, er ballonnen worden doorgeprikt, is iedereen dat snel vergeten en begint het feest vrolijk opnieuw.

Aards paradijs
De moderne mens heeft twee economische lichamen. Met het ene is hij aan de aarde vastgeklonken, worden hem in zijn hoedanigheid van werknemer of ondernemer regelmatig de oren uitgewassen. Met het andere blikt hij naar het paradijs, niet om uit te zien naar een eeuwig hemels welbehagen; neen, hij springt rond in de moderne gokhal, de beurs, en kijkt reikhalzend uit wanneer hij wordt toegelaten tot het eiland der gelukzaligen: het aardse paradijs van degenen die zich in materieel opzicht alles kunnen permitteren. De mens kan niet zonder sprookjes en al geloven steeds minder zielen in het hemelse paradijs, het aardse bestaat echt. Kijk maar naar de televisie, de bill Wards en de glozzy magazines.
De economie van de hoop, de gunstige self-fulfilling prophecies die ze tijdens hoogconjunctuur in werking zet, lijkt vervangen door de economie van de valse hoop. Hoe voorzichtiger de ondernemers, hoe minder ze investeren en hoe meer ze sparen. Anders gezegd, hoe meer de managers voor alles naar winst streven om onafhankelijk te blijven, hoe beter voor de beurs. Maar ook: hoe meer kans mensen lopen om werkloos te worden, hoe minder hun loon zal stijgen en hoe minder carrièreperspectief ze hebben.

Politieke keuze
Deze ontwikkeling maakt de geesten niet bepaald rijp voor een herleving van het socialistische gedachtegoed. Integendeel, niet alleen de angst, ook de val van de Berlijnse muur, de individualisering en het gegeven dat het kapitalisme steeds minder gehinderd wordt door oude sociale gebruiken en opvattingen, dat alles maakt het verklaarbaar dat het marktdenken op alle terreinen zegeviert.
Wat kan links nog doen onder deze omstandigheden? Moet ze zonder blikken of blozen, zoals de liberalen deden, oude denkbeelden, zoals nationalisaties en op de armen gerichte bestedingsverruimende maatregelen, oppoetsen en als de enige wijsheid omhelzen? Moet ze misschien het hoofd buigen en erkennen dat ze volledig in het defensief is gedrongen om met een rechte rug zoveel mogelijk oude verworvenheden te beschermen? Of moet ze inzien dat de geest van het kapitalisme zo diep in ieders hersenpan is doorgedrongen dat alleen een allesomvattend politiek antwoord kans van slagen biedt? Het laatste, lijkt mij. Een politiek van afhouden en kleine stapjes wordt, zo blijkt nu wel, meegesleurd en opgelost in de woeste maalstroom van het neo-liberale denken. De kunst is om met een politiek program tegen de geest des tijds in te gaan en alle idealen een doortimmerde economische basis te geven.
Met andere woorden, aangetoond moet worden dat veel maatregelen, vooral de bezuinigingen en privatiseringen op allerlei gebied, niet zijn gebaseerd op een economische noodzaak, maar op een politieke keuze.

Belastingjuk
Om beginnen volgen hier enige economische overwegingen, die zeker niet allemaal nieuw zijn, maar die, door ze steeds weer te overdenken, hopelijk steeds beter met elkaar in verband kunnen worden gebracht. De staatsschuld is in een periode van vijftien tot twintig jaar tot het huidige niveau opgelopen. Mag het dan misschien tenminste de helft van die tijd duren voordat ze tot aanvaardbare proporties is teruggebracht? Dit te meer daar Nederland over grote spaaroverschotten beschikt, de gulden keihard is en we ons geen zorgen hoeven te maken over de financiering van die schuld. Het staatstekort wordt voor een steeds groter deel door buitenlandse beleggers gedekt.
De vraag of allerlei staatsbedrijven moeten worden verzelfstandigd, is ook een politieke. De traditionele overwegingen die pleiten voor staatsenergiebedrijven en spoorwegen, te weten een hoog voorzieningsniveau, het voorkomen van monopolieposities en het ontzien van het milieu, zijn onverkort van kracht. Natuurlijk kan alles tot en met de bewaking van huis en haard volledig worden geprivatiseerd - zie de rijke Amerikaan - maar dat heeft met economische noodzakelijkheden niets te maken. Gegeven het overheersende liberale denken is er wel een ideologisch voordeel. De burger anno 1996 betaalt blijkbaar liever een hoge prijs voor een door particulieren geleverde dienst dan dat hij in aanmerking komt voor een forse belastingaanslag. 'Ja', hoort men de marktkampioenen al roepen: 'Het gaat om het efficiencyvoordeel, vroeg of laat plukt de consument daarvan de vruchten.' Welnu, het treinkaartje wordt vooralsnog niet goedkoper en in principe is er ook niets tegen een zekere privatisering. Ze moet alleen niet heilig worden verklaard, zoals de ervaringen met de sociale verzekeringen doen vermoeden. Elk economieboek leert dat deze verzekeringen niet in aanmerking komen voor privatisering. De kosten stijgen doordat er meerdere uitvoerders komen die elkaar overlappen.

Compliment
Tenslotte de arbeidsmarkt. Ze functioneert niet beter als iedereen snel op straat gezet kan worden en het loon verder daalt. Om met het laatste te beginnen: Nederland is al eens eerder in de valkuil van te lage lonen gevallen. De teloorgang van onze scheepsbouwindustrie in de jaren zestig werd bijvoorbeeld toegeschreven aan de geleide loonpolitiek. Ze maakte de werkgevers lui, arbeid werd niet op tijd door kapitaal vervangen. Goed, laten we dan de bescherming van de lonen in de Nederlandse dienstensector door middel van CAO's op de helling zetten. Schoonmakers zouden in dat geval nog minder gaan verdienen en de tweedeling in de maatschappij zou zich verder verdiepen vanaf het moment dat de lonen zo laag worden dat je die mensen tot de armen moet gaan rekenen. En dan de versoepeling van het ontslagrecht. De Nederlandse arbeidsmarkt is flexibel in sectoren waar dat wordt gevraagd, zoals distributie en transport. Overigens verdient het huidige kabinet waar het om de bestrijding van de werkloosheid gaat ook een compliment. De uitbreiding van gesubsidieerde banen, als bejaardenzorg, kinderopvang en bewaking is de moeite waard. En ook deregulering is natuurlijk niet per definitie verkeerd. De beoogde versoepeling van de Warenwet, Mededingingswet en Vestigingswet geeft nieuwe kleine ondernemers een kans.

Hoofdverwijt
Wat is nu het hoofdverwijt aan het adres van het kabinet-Kok? Waarschijnlijk wel dit: ze blaast haar deuntje in het koor van ach- en weegeroep veel te luid mee. De angst zit er diep in bij de burgers, ze bezorgde Bolkestein een unieke verkiezingsoverwinning. Als het kabinet nu ook nog blijft roepen dat er zeer voorzichtig moet worden gehandeld, dat Nederland er goed aan doet voor braafste leerling in de EMU-klas te spelen, dat we de loonkosten moeten blijven matigen omdat de wereldmarkt, waar we door de globalisering steeds afhankelijker van worden, ons dat dicteert, dat we kortom voor de zeer zware taak staan met behulp van een strenge aanpassingspolitiek een faillissement van de BV Nederland te voorkomen; ja, dan blijft er weinig ruimte voor optimisme. Toch gaan er van de weeromstuit steeds meer stemmen op in de PvdA die roepen: 'Hoezo crisis? Het gaat goed, wij zijn geen dismal party meer, we spreken ook de winnaars aan.'We zoeken, om Wallage te citeren, 'steeds meer naar positieve aanknopingspunten.'
Hier is sprake van een fundamenteel misverstand. Een linkse partij wordt geacht het in de strijd tussen arm en rijk, die de politiek nog altijd is, voor de eerste groep op te nemen. Daarom pleit ze voor behoud van de sociale zekerheid en een grote overheid. Tegelijkertijd spreekt ze haar zorg uit over de toekomst. Het spook van de tweedeling van de maatschappij en de milieuvervuiling ligt niet alleen op de loer, ze wordt steeds groter. Met andere woorden, ze slaat weliswaar een pessimistische toon aan, maar geeft daarmee tevens lucht aan de angst die onder de burgers leeft en wijst de weg naar verbeteringen.
Hoe anders steekt de liberale mentaliteit in elkaar. Ze slaat voortdurend een luchthartige toon aan. Belooft, na wat broekriemaanhalerij, gouden bergen. Maar doordat ze de angst bij de mensen aanwakkert (Bolkesteins stemmingmakerij voorafgaande aan de laatste verkiezingen) of juist ontkent, behoudt het optimisme een zwartgallige ondertoon en ontpopt het zich als valse hoop. 

Factor D maart 1996.


Terug naar FD 1996


Copyright 1998 by 2H Software Solutions